Lichaamssamenstelling

Antropometrie

Op deze pagina vindt u informatie over het berekenenen van de bovenarmoppervlakte, - spieromtrek, - spieroppervlakte en -vetoppervlakte.

 

Bovenarmspieromtrek berekenen

De bovenarmspieromtrek (S) is in combinatie met de huidplooidikte van de triceps (T) een maat voor de spiermassa in het lichaam. Bij deze methode gaat men ervan uit dat de gemeten spieromtrek representatief is voor het hele lichaam. Dwarsdoorsnede van een spier
Daarnaast wordt uitgegaan van de aanname dat er een gelijke verdeling van vet rondom de arm is en dat er sprake is van een constante hoeveelheid bot ten opzichte van het spieroppervlak. Bovenarmvetmassa, verkregen door bovenarmomtrek in combinatie met de tricepshuidplooi, geeft een betere schatting van de totale lichaamsvetmassa dan alleen een huidplooi. De dikte van de tricepshuidplooi en de omvang van de bovenarm nemen af door ondervoeding. Door herhaald meten kan een indicatie verkregen worden over verandering in lichaamssamenstelling en voedingstoestand.
 

Wanneer ondervoed?

Frisancho A.R. (1981) heeft tabellen met percentielen opgesteld, waarmee de gevonden waarden vergeleken kunnen worden met de algemene populatie. Als een patiënt dus laag in de percentielen zit, zal hij bij de magere personen horen. McWhirter (1994) heeft in zijn onderzoek aangetoond dat bij een bovenarmspieromtrek beneden de p15 aangenomen kan worden dat er sprake is van ondervoeding en onder het 5e percentiel is sprake van ernstige ondervoeding.
 
Deze waarden zijn echter geen betrouwbare maatstaf. Wanneer een patiënt een constante bovenarmspieromtrek (bv. p60) heeft en deze vervolgens gaat dalen, kan er sprake zijn van ondervoeding. De waarde hoeft dan nog niet beneden de p15 te zijn. Het verloop van deze waarde is dan ook een betere maat voor de voedingstoestand dan de absolute waarde. Kortom, ongeacht de relatieve score (percentielwaarde), is een afname in spiermassa een signaal voor het ontstaan van ondervoeding.
 

Betrouwbaarheid

Nadeel van deze methode is dat resultaten niet betrouwbaar zijn voor patiënten met oedeem in de bovenste extremiteiten of personen waarbij sprake is van een spierziekte of immobiliteit. 
 

De bovenarmomtrek en tricepshuidplooi

De tricepshuidplooi is nodig bij het berekenen van de bovenarmspieromtrek. De tricepshuidplooi geeft informatie over de vetreserves van het lichaam en de berekende spiermassa geeft informatie over de eiwitreserves. Met behulp van de gemeten waarde voor de tricepshuidplooi kan de mate van ondervoeding worden afgelezen. A.R. Frisancho (1981) heeft tabellen gepubliceerd met percentielen voor de dikte van de tricepshuidplooi. Bij een tricepshuidplooidikte beneden de p15, kan aangenomen worden dat er sprake is van ondervoeding. Maar er kan beter naar het verloop van de gemeten waarden worden gekeken. Herhaalde metingen geven een goede indicatie over veranderingen in de voedingstoestand en vetopslag. De methode is makkelijk uit te voeren, niet-belastend voor de patiënt en niet duur. Het midden van de rechterbovenarm wordt bepaald met behulp van een meetlint.
 

  
Referentiewaarden 

Referentiewaarden voor bovenarmomtrek, bovenarmspieromtrek en tricepshuidplooidikte zijn ook opgesteld door Jelliffe (1966) en zijn vaak gebruikt als referentie. Daarentegen zijn deze waarden  bekritiseerd en werden de referenties van Frisancho (1974/ 1981) aanbevolen omdat deze bij een meer representatieve populatie waren genomen. Een vergelijking is gemaakt door Harries (1982) en liet zien dat er geen overeenkomst tussen de twee was en dat het dus belangrijk is om altijd te vermelden welke referentiewaarden je hebt gebruikt. In een artikel van Ravasco (2002) wordt beschreven dat de bovenarmomtrek een bruikbare maat is om de voedingstoestand van IC patiënten in kaart te brengen. Hiervoor zijn de criteria van Mcwhirter (1994) en Blackburn (1977) gehanteerd. Spiermassa werd bepaald aan de niet-dominante arm en werd geclassificeerd in drie categorieën: normaal, gemiddeld ondervoed en ernstig ondervoed.
 
De referentiewaarden zijn te vinden in de onderstaande tabellen met percentielwaarden (bron: A.R. Frisancho, 1981).  
 

Formules

  • De bovenarmspieromtrek (S) in mm: S = c - ( T * 3.14)
  • De bovenarmoppervlakte (A) in mm²: A =  c² / 12.56
  • De bovenarmspieroppervlak (M) in mm²: M = S² / 12.56
  • De bovenarmvetoppervlak (F) in mm²: F = A - M

 

Calculatoren

Bovenarmspieromtrek

-

Bovenarmoppervlakte

-

Bovenarmspieroppervlak

-

Bovenarmvetoppervlak

-

 

Legenda 

C = Bovenarmomtrek in mm
T = Tricepshuidplooi in mm