Nutritional Assessment

Beoordeling door de diëtist

Als een patiënt is aangemeld voor een Nutritional Assessment, wordt door een diëtist een extra screening gedaan om te beoordelen of de aanvraag terecht is en de screening juist is uitgevoerd. Indien de patiënt op de afdeling is gescreend met behulp van een screeningslijst is deze extra screening door een diëtist niet meer dan een formaliteit.   

 

Procedure

Indien een patiënt in een later stadium op basis van de klinische blik wordt doorverwerzen (en niet direct na de screening bij de ziekenhuisopname), dan wordt de screening opnieuw uitgevoerd door een diëtist. De diëtist bekijkt op basis van deze extra screening of een volledig Nutritional Assessment nodig is voor de patiënt. Voor het vaststellen van (een verhoogd risico op) ondervoeding bij ziekte worden objectieve parameters gebruikt, zoals de BMI, het percentage gewichtsverlies, intake en verliezen en biochemische parameters. 

Body Mass Index

-

De Body Mass Index (BMI) wordt berekend op basis van een gemeten lengte en gewicht. Hiervoor hanteert men de volgende formule: Gewicht in kg / (Lengte in m)². De BMI wordt beinvloed door leeftijd, geslacht, ras en de hoeveelheid spiermassa. 

 

Percentage gewichtsverlies

-

Ongewenst, maar ook gewenst gewichtsverlies kan leiden tot ondervoeding, bijvoorbeeld bij anorexia en na een maagverkleiningsoperatie. Voor het bepalen van het percentage gewichtsverlies hanteert men de volgende formule: (Huidig gewicht - Gebruikelijk gewicht) / Gebruikelijk gewicht x 100%. De norm voor extra risico op ondervoeding is hierbij: meer dan 5% gewichtsverlies binnen een maand of meer dan 10% gewichtsverlies binnen 6 maanden zijn een indicator van ondervoeding. Indien de patiënt niet op een staweegschaal kan worden gewogen, kan een weegstoel of weegbed worden gebruikt. Deze maat is niet bruikbaar bij patiënten met oedeem, ascites of dehydratie. 

Intake en verliezen

Meer dan 5 dagen geen of een zeer geringe intake kan wijzen op ondervoeding. Lees meer over intake en verliezen.

Biochemische parameters

Denk hierbij aan ontstekingsparameters uit de reguliere zorg, zoals het albuminegehalte in het bloed. Het albuminegehalte kan worden gebruikt om in te schatten hoe ziek een patiënt is en/of om de viscerale eiwitreserves vast te stellen. De normaalwaarde in het Maastricht UMC+ voor volwassenen is 35.0 - 45.0 g/ l. Als een patiënt veel ontstekingsparameters in zijn bloed heeft, kan de ontsteking de oorzaak van het verlies van lichaamscelmassa zijn en niet per se een verminderde intake. Tevens kunnen andere ontstekingsparameters (lymfocyten, pre-albumine, transferrine, CRP, HB en bezinking ) in kaart gebracht worden. Lees meer over biochemische parameters

 

Een Subjective Global Assessment (SGA)

Een SGA, oftewel een subjectieve algemene beoordeling, kan worden gebruikt voor het vaststellen van de voedingstoestand. Met behulp van een medische anamnese, een voedingsanamnese en enkele eenvoudige waarnemingen kan een algemene beoordeling van de voedingstoestand tot stand komen. In het Maastricht UMC+ wordt dit niet op deze wijze toegepast. Criteria zijn:
  • (geschat) gewichtsverlies in de laatste 6 maanden;
  • bepaalde ziektebeelden en therapieën die zorgen voor een verminderde inname van voedingsstoffen;
  • verhoogde verliezen;
  • metabole stress;
  • een combinatie van deze risicofactoren.

Een aantal onderzoeken laat zien dat met behulp van een dergelijke SGA, reproduceerbare resultaten door (para)medici en ook door minder ervaren personen mogelijk zijn. Hier vindt u een voorbeeld van een SGA.  

Géén actie

Er wordt géén actie ondernomen indien aan de alle onderstaande voorwaarden wordt voldaan:
  • De patiënt heeft geen risicoziekte of risico-ingreep ondergaan en geen malabsorptie/ langdurige diarree/ grote OK in het vooruitzicht
  • De patiënt heeft een normaal gewicht (BMI >20)
  • De patiënt heeft minder gewicht verloren dan 5% in een maand of 10% in 6 maanden
  • De patiënt heeft  een voldoende voedselintake
  • De patiënt heeft geen afwijkende ontstekingsparameters in het bloed. 

Oedeem of uitdroging  

Daarnaast is het verstandig om alert te zijn op oedeem of uitdroging. Door de huid van de extremiteiten van de patiënt in te drukken kan worden gecheckt of er oedeem aanwezig is. Er is sprake van oedeem als de huid ingedrukt blijft. Wanneer de huid blijft staan als deze tussen duim en wijsvinger wordt vastgepakt, is er sprake van uitdroging.